4. EENZAAM DE NACHT IN

Nadat ik enkele uren had doorgebracht op het politiebureau in een cel, werd ik door de ambulance naar mijn volgende bestemming gebracht. Bibberend van de kou werd ik liefdevol ontvangen door Ferry. Hij maakte een kopje thee en een boterham met pindakaas voor me. Ik wist totaal niet waar ik was. Ferry stelde me wat vragen en zei vervolgens dat ik eerst maar eens even moest gaan slapen. Hij gaf me een slaappil en langzaam doezelde ik weg. Ik had nog wel mijn schoenen uit getrokken maar verder sliep ik in mijn kleren van overdag – iets anders had ik niet.

’s Ochtends werd ik gewekt door een ander iemand, Ferry was natuurlijk naar huis. Ik werd verzocht naar het ontbijt te komen. Ik stapte enigszins groggy mijn bed uit en liep een gang door. Ineens zag ik links een zit-eet kamer. En toen drong de volle ernst van de situatie tot me door. Ik was op de gesloten afdeling van een psychiatrische instelling beland. Paniek maakte zich van mij meester, ik wilde weg, ik wilde eruit, ik wilde naar mijn kinderen toe. De paniek sloeg om in woede. Hoe was ik hier beland, wie had daar voor gezorgd, hoe kan het dat je zomaar opgesloten wordt. Beroofd van je vrijheid en afgesloten van ieder contact met de buitenwereld. Ik wilde weg, alleen maar weg. Maar de deur bleef op slot.

Omdat ik twintig jaar eerder ook al eens opgenomen was geweest op een Crisis Opvang Afdeling wist ik wat me te wachten stond. Ik kwam in verzet, vooral ook omdat er in twintig jaar niets was veranderd in de behandelprotocollen. De bejegening in de psychiatrie is Middeleeuws. Het gaat nog steeds vooral om medicatie. Als het moet zelfs om gedwongen medicatie. Ook is de isoleercel nog steeds in gebruik.

Ik ging me direct bemoeien met de gang van zaken op de afdeling. Mensen die van pure ellende niet meer op hun benen konden staan werden aan hun lot overgelaten. “Kan je zelf niet naar de eettafel lopen? Nou dan eet je toch gewoon niet.” Toen ik die bewuste mede patiënt de hand reikte werd dat betiteld als onaanvaardbaar gedrag op de afdeling en werd ik overgeplaatst naar de allerergste plek op aarde. De Crisisopvang High Care zal ik maar zeggen.

Daar liep ik in mijn Scapa pakje tussen alcohol- en drugsverslaafden, schizofrene mensen, mensen met een psychose, depressie of manie, borderline cliënten en mensen met persoonlijkheidsstoornissen.

Saai was het er niet. Never a dull moment. De drugs werden door het open raam grenzend aan een plat dak naar binnen gebracht, blow jobs for money werden uitgevoerd op de wc, matrassen werden versleept om de liefde te kunnen bedrijven en als je net met je oxazepammetje in slaap gesukkeld was ging je mannelijke mede patiënt aan je zitten. Onder “toeziend” oog van de verpleging. Slaapkamers met drie bedden en op de gang sanitaire voorzieningen waar ik liever niet meer aan terugdenk.

Na een paar dagen kreeg ik een enorme tas met kleding aangereikt met alleen maar een briefje met de tekst: deze reserverbril heb je misschien nodig. Mijn familie ging er duidelijk van uit dat deze opname nog wel even zou duren. Helaas kregen ze gelijk. Wat voelde ik me toen eenzaam. Ik miste m’n kinderen, ik wilde naar huis.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *